Een dagelijkse dosis blijdschap

Vlogger Sabrina Putri heeft 60.000 volgers

Het is spitsuur. Ik ben op weg naar het interview met Sabrina Putri, een vlogger die Do It Yourself (DIY) filmpjes maakt met bijna 60.000 volgers. Brutaal manoeuvreer ik mijn fiets tussen het langzaam rijdende verkeer op het fietspad. In de buurt van het Vondelpark parkeer ik hem naast een uitpuilend fietsenrek. In de verte zie ik haar al staan. Haar vrolijke zomerjurk waait op, haar blonde haar glanst in de zon. Sabrina Putri is zeventien jaar en studeert aan het Media College in Amsterdam. Lachend steekt ze haar hand uit. Om haar pols zitten een aantal armbandjes. “Zelfgemaakt?” vraag ik. “Natuurlijk”, zegt ze.

Praten tegen de hele wereld

Sabrina begon met video’s maken door te kijken naar andere youtubers. ‘’Ik vond filmen ook altijd al leuk en dacht, als ik al tegen vrienden en ouders praat, waarom dan niet tegen de rest van de wereld?’’ Het gesprek aangaan met anderen en haar eigen interesses delen is het doel van haar filmpjes. ‘’Ik vond het in het begin wel gek om tegen een camera te praten, want een camera praat niet terug.’’

Gepest op school

‘’Het duurde een aantal jaren voordat ik echt veel subscribers kreeg’’, vertelt Sabrina. “Ik ben zelfs een tijdje gestopt…”  Ze twijfelt even en gaat dan door. “Nadat ik een paar filmpjes had geüpload, werd ik gepest op school.‘’ Sabrina’s lef en creativiteit werd vervangen door schaamte en onzekerheid, maar op een gegeven moment vond ze haar zelfvertrouwen weer terug. ‘’Ik dacht: ‘Waarom zou ik stoppen met iets wat ik leuk vind om te doen?’ en ik besloot de camera weer aan te zetten.’’ En toen kwamen de volgers. In een paar weken tijd had ze er duizend. ‘’Nu, twee jaar later heb ik bijna 60.000 volgers.” Trots staat op haar gezicht te lezen.

Niet nep, maar eigen

Volgens Sabrina kom je met een goede camera, jezelf zijn en haters negeren, ver als beginnende vlogger. ‘’Het pesten heeft me geleerd dat jezelf zijn echt belangrijk is: ik ben er immers alleen maar sterker uitgekomen.” Volgens Sabrina is het noodzaak haatreacties te negeren. ‘’Ik besloot mezelf te zijn, ook in beeld. Doordat ik mezelf ging uiten in mijn video’s, kwam alles aan bod wat ikzelf leuk, prettig, mooi of interessant vind.’’ Ideeën haalt ze uit alles om haar heen; tijdschriften, blogs, Tumblr, andere youtubers en winkels in Amsterdam. ‘’Mijn topwinkels zijn de Hema en de Action, vooral voor DIY’s. Als je dingen van anderen overneemt, moet je er uiteraard wel je eigen draai aan geven. Op die manier ben je niet nep, maar eigen.’’

 

Drie dagen voor een DIY filmpje

In filmpjes maken zit veel tijd, volgens Sabrina moet je dat wel willen. ‘’Met een vlog filmen ben je meestal een dag bezig, om het vervolgens te editen duurt een uur.’’ De DIY’s kosten het meeste tijd. Met een DIY is Sabrina meestal drie dagen bezig, inclusief editen. ‘’Met veel DIY’s moet je wachten tot iets opgedroogd is.’’ Het edit-programma dat Sabrina gebruikt heet Final Cut Pro.

 

Een dagelijkse dosis blijdschap

‘’Mijn fans bezorgen mij mijn dagelijkse dosis blijdschap.’’ Onlangs was Sabrina te gast bij de Dutch Youtube Gatering, een dag speciaal voor Nederlandse youtubers die hun fans kunnen ontmoeten. ‘’Ik mocht naar de special guestroom en een meet and greet doen met een aantal van mijn fans.’’ Naast de kennismaking met fans waren er bandjes die optraden, was er tijd om door de locatie heen te lopen en te kletsen met een aantal andere youtubers.

‘’Naast deze fandag heb ik ook live chats gedaan met fans. Ik vind het superleuk om te zien en horen dat mensen genieten van mijn video’s.’’

Reizen in Amsterdam

In de toekomst gaat Sabrina sowieso door met het maken van DIY Youtube filmpjes, maar ze staat open voor het ontdekken van een nieuwe wereld met haar camera. ‘”Ik zou graag willen reizen en vervolgens daarover filmen.’’ En daarvoor hoef je niet per se met het vliegtuig, vindt Sabrina. ‘’Reizen kan in de breedste zin van het woord. Ik vind een dagje Amsterdam al een culturele reis op zichzelf.’’

Mijn Vlaamse Amsterdam

Isidore woont in Amsterdam en in Antwerpen. Twee steden, twee landen. 150 kilometer van elkaar vandaan, maar beiden een thuis. Nederlands en Vlaams, kaas en wafels, Westertoren en Kathedraal. Wat zijn de verschillen en wat de gelijkenissen?

Licht wordt vervangen door donker als we door de tunnel sjezen. De trein rammelt. Om me heen hoor ik Franse, Engelse, Nederlandse en Vlaamse gesprekken. Ik staar naar mijn computer, ik wil woorden op het nog witte valk laten verschijnen. Mijn gevoel vertalen op papier. Ding dong, klinkt het een uur en een kwartier later.  “Over enkele minuten komen we aan op Antwerpen Centraal”, klinkt in zacht Vlaamse tonen.  Mijn moeder, zusje en ik grabbelen onze spullen, jassen en tassen bij elkaar. Even later, stappen we op Belgische bodem.

“Daar zijn ze dan, onze wereldreizigers!”, roept mijn bonusvader. Zijn bruine ogen stralen, zijn gezicht lacht. Liefdevol neemt hij, zoals elke keer, de koffers van ons over. Kletsend lopen we richting de uitgang van het mooiste station ter wereld. “Dit gigantisch treinstation telt vier verdiepingen met sporen. Haar schoonheid is zo uniek dat kenners moeite hebben met het een architecturale stijl toe te schrijven,” aldus The New York Times. We gaan op weg naar ons Antwerps huis, dat hier vlak bij ligt.

Mijn ouders zijn gescheiden en hebben beiden een nieuwe liefde gevonden. Zowel de nieuwe levenspartner van mijn moeder als die van mijn vader komen uit Antwerpen. Beide huishoudens zijn dus Nederlands-Vlaams. In beiden huizen klinken zacht zangerige klanken. Mijn bonusvader woont samen met zijn dochter (12) in Antwerpen en om de week woont hij er samen met mijn moeder. Ze reizen continu op en neer om samen te kunnen zijn. De vriendin van mijn vader woont gewoon in Amsterdam.

“Het is nog vroeg,” zegt mijn moeder tegen me als we ons huis binnenstappen. “Dus als je wilt kun je nog even de stad in gaan.” Snel leg ik mijn spullen in mijn kamer. De hele zolderverdieping is van mij. Vanuit mijn raam overzie ik de stad. Ik pak mijn portemonnee en spring op mijn fiets, een hip vintage model. In een paar tellen sta ik op de Meir, de Kalverstraat van Antwerpen.

Winkel in, winkel uit. Op iedere hoek staat een straatmuzikant. Omringd door de geur van wafels (heerlijk en slechts twee euro) spendeer ik mijn zakgeld aan nieuwe kleding. Als je lang moet wachten voor de kassa heet dat hier ‘ambetant’, in plaats van ‘vervelend’. Ik koop een ‘frak’, oftewel een nieuwe jas en een zwarte’ sacoche’, een zwarte handtas. Bij het afrekenen wordt gevraagd of ik “het kassaticketje” er bij wil. (Over poepen moet je het hier trouwens ook in het openbare toilet niet hebben. Dan praat je over neuken.)

“Je kunt het niet in Nederland ruilen,” zegt het meisje bij H&M. Mijn harde G valt hier op. Ik ken beide steden. Amsterdam nog steeds iets beter dan Antwerpen, maar langzaam neemt mijn kennis over mijn Vlaamse Amsterdam toe. Omdat ze denken dat ik een toerist ben, kan ik de Belgen met regelmaat verrassen met mijn kennis over de stad. Vorig weekend wees ik twee Gentenaren de weg naar de Zara!

Terug thuis schuif ik voor het diner aan de keukentafel. We eten frietjes. Mijn bonuszusje is net terug van haar hockeycompetitie en zit met haar sportkleren aan te smullen van haar ‘viandel’ – frikandel. Duizenden sauzen staan op tafel, Belgische mayonaise, naast Hollandse mayo en overheerlijke Vlaamse ‘stoofvleessaus’. Als mijn moeder een frietje in de saus doopt, en naar haar mond brengt, valt er stoofvlees op haar mooie donkerblauwe jurk. “Bah, ik heb gesmost.” “Gesmost?” Mijn zusje komt niet meer bij. “Wat is dat nou weer?”

De avond valt, donker vervangt zonneschijn en bij de open haard spelen we koehandel, een spelletje waarbij je op dieren moet bieden alsof je meedoet aan een veiling. Daarna is het tijd voor een modeshow van mijn nieuwe kleren. Als ik mijn nieuwe tas laat zien is mijn b’zusje door het dolle heen. “Wat een mooie sacoche.” Vaak bedoelen we hetzelfde, alleen spreken we het net iets anders uit.

Eenmaal in bed, staar ik uit het raam en zie ik de lichtjes die Antwerpen bewaken in de nacht. “Isi? Slaap je al?” Samen staan ze voor mijn slaapkamerdeur. “Welterusten lieverd, ik zie u graag,” zegt mijn moeder grappend. “Slaap wel,” fluistert mijn b’vader. De twee A’s lijken op elkaar, ook al zijn ze verschillend. Want al is Amsterdam mooier dan Parijs, Antwerpen ligt mooi op de route.

 

Travailler en France

Travailler en France

Isidore van Westing heeft afgelopen zomer in een hotel in Frankrijk gewerkt. Pas na een emotionele wandeltocht durft ze mee te zingen met de afwas…

De warmte omarmt me als een wollen deken als ik de bus uit stap. Het is twee uur in de middag, ik ben al bijna 12 uur bezig om op bestemming te komen. Ik kijk zoekend om me heen. Petanque wordt gespeeld in mijn linker ooghoek en de geur van stokbrood raakt mijn smaakpapillen. De wind die opsteekt is bloedheet en geeft, in plaats van een koel briesje, een ondragelijk hoge temperatuur cadeau. Transpiratie wordt door iedereen in de Zuid-Franse stad waar ik aangekomen ben gedragen als de laatste modetrend.

Deze zomer werk ik een maand lang in een hotel in de Alpen. Voor mijn neus stop de auto die mij ophaalt. Als ik instap wordt ik begroet in de Nederlandse taal. Vrienden van vroeger wiens ouders nu een Hotel runnen komen mij met de auto ophalen. Hun moeder zit achter het stuur. “Joepie, je bent er!” ‘’In Nederland regent het nu.’’ ‘’Ja, pff en hier is het 40 graden.’’ De airco is stuk. Haren wapperen in de wind, ramen staan open. Mijn vriend van vroeger slaat mij gebroerderlijk op de schouders. Acht jaar geleden zaten we nog bij elkaar op school. Samen met zijn moeder en een Hollandse vriend vertellen ze mij alles over iedereen die in het Hotel werkt. ‘’Nou die ene spreekt dus alleen maar Frans en de ander spreekt ongeveer iedere taal. Dan heb je nog een jongen, die werkt achter de bar en die is net zo hoog als de Eiffeltoren sjeses!’’ ‘’Nou de Eiffeltoren, niet overdrijven he.’’ Iedereen lacht.

De auto parkeert in het groen. Het grind knettert. Het terras is overkapt met een Heineken parasol. In het restaurant zitten gebruinde fietsers achter een bord pasta. Een mooie fietstijd op L’Alpe d’huez neerzetten, is het doel van vrijwel iedere Hotelgast. Hotel Au Bon Accueil, staat met grote rode letters op een bord voor de ingang. Nadat ik mijn koffer in mijn kamer gezet heb, ga ik meteen aan de slag. Tafels afdoen , kennismaken met de rest. Mijn vrienden helpen me. Het duo is helemaal in hun element en maken de leukste opmerkingen samen. Als het Sjors en Sjimmie niet zijn, dan wel Jut en Jul.

De dagen daarna, ben ik kamermeisje. Kamer in kamer uit, krijg ik een inkijk in vakanties van anderen. In mijn eentje sta ik te stofzuigen tussen vuile was, reisdagboeken en fietspakken. Sjouwen met vieze en schone handdoeken en lakens. Geen ander contact dan met een enkele mot die in het raamkozijn rust.

Nog steeds wennend aan het uitzicht op sneeuw en dennenbomen op zeker 1000 meter hoogte, sta ik s’ avonds af te drogen. De top 40 van de afgelopen maand, klinkt uit de boxen die in de hoeken van de keuken staan. Vals, maar vrolijk zingt iedereen mee. Ik moet wennen. Met z’n allen zijn ze een grote hotelfamilie, ik moet mijn plekje daarin nog vinden.

Iedere ochtend maak ik de kamers schoon, iedere avond doe ik de afwas. In de middag ben ik vrij. Ik besluit het gevecht met de berg aan te gaan, omdat ik geen fiets heb, ga ik lopend. In mijn rugzak een fles water, een boek en mijn bikini, naast de weg stroomt een rivier. Interdit de nager, staat er op een bord naast de rivier, de fluo kleur doet bijna pijn aan je ogen, het vloekt met het prachtgroen, de indrukwekkende bergen, het helder stromende water om me heen. Fietsers passeren.

Ik zing met de kwetterende vogels en het kletterende bergwater mee. De muziek van mijn omgeving is het achtergrondritme van mijn zelfbedachte chanson. Een beetje verder kan je wel zwemmen. Er is niemand. Gedurft en schaamteloos, trek ik mijn broek en shirt uit. Nu ben ik een echte naturist, ik lach om mezelf bij die gedachte en trek mijn bloemenbikini aan. Het water is letterlijk, ijskoud. Gesmolten sneeuw. Ik gil, ben ongestoord mezelf.

Fijn, maar ook alleen. Ik werk, leef en ben in een onbekende wereld. Geen tram, maar bergpad, geen Vondelpark maar een beschermd natuurgebied, geen ouders, maar hotelbaas. De onzekerheid die komt met avontuur aangaan, is onbeschrijfelijk. Niemand snapt hoe je je voelt. Wat zijn de gewoontes hier, moet ik me aanpassen of niet, ik weet het niet. Tranen rollen over mijn wangen. Ik ben in de war. Mijn hoofd is in de wolken, soms zijn ze gevuld met Zuid-Franse zon, soms gevuld met donder, bliksem en regen. Snot komt uit mijn neus als ik me weer aankleed. Jankend loop ik verder, de berg op. Alles komt er uit. Het is nodig. Net als dat de sluizen soms open moeten en de rivier even heel hard stroomt, zodat niet alles overloopt.

Als ik de top heb bereikt is het gevoel verdwenen. Met een hand boven mijn hoofd geniet ik van het uitzicht. Als ik begin aan de afdaling. Stopt er een auto. Het is een van mijn hotelcollega’s. “Rij je mee?” vraagt ze vrolijk. “Leuk dat je nu bij ons werkt.” Die avond zing ik echt mee in de keuken.

De fietsers zijn trots. Ze praten samen over hun klimtochten van de dag en de tijden die daarbij horen. Ik heb net als hen de top bereikt, in mijn tijd. Ik heb mijn plekje gevonden, al duurde het even. Want een ding is zeker, wie niet klimt, heeft ook geen uitzicht.