Laarsjes

Het is donker op straat als ik naar buiten stap. Het getik van mijn laarsjes op de tegels is samen met de tram het enige wat geluid maakt op straat. Met mijn capuchon op en mijn handen diep in mijn zakken gestoken loop ik stug door. Het is koud. Niet zo’n beetje ook. Geruchten over de elfstedentocht worden zachtjes in de oren gefluistert en het is niet ongewoon om met een grote kop thee en drie truien voor het raam te zitten. Door de kou worden mijn ogen vochtig. Ik blaas en de wind weerkaatst mijn wolkje adem terug in mijn gezicht, waardoor mijn ogen even stoppen met tranen.

Ik stap het portiek in en open de deur. Bijna overal zijn de lichten weg, alleen het ganglicht en de keukenlamp kunnen nog aan. De rest van het huis is leeg en donker. Een voor een ga ik de kamers langs en probeer ik de meubels weer op hun plek te zetten in mijn gedachten. Links stond de kast, rechts de bank en daar het bed. In de vensterbank stonden de plantjes, waarmee we allemaal moeite hadden om ze genoeg water te geven. ‘’Ik ben de plantendokter’’, had een van de jongens een keer gezegd, waarna hij zich weer omdraaide en in de draai met zijn gieter de plant van de rand stootte. Overal lag aarde. Met gelach en een beetje gevloek hebben we samen de boel opgeveegd.

In de grootste kamer ga ik precies in het midden op het versleten tapijt zitten. Normaal is een leeg en donker huis best akelig, maar ik voel me niet naar. Voor mij voelt het hier nog steeds als thuis. Een plek waar ik uit school de deur openzwaaide en heel hard ‘Hallooooo’ door de gang schreeuwde. Een plek waar we dansten in de keuken na het eten en elkaar bekogelden met sponsjes of een tik gaven met de theedoek. Een plek waar we met zijn allen brak onder slaapzakken en fleecedekens Disneyfilms gingen kijken. Een plek waar iedereen het fijn en goed had. De straatverlichting creëert een streep op de vloer waar ik met de hak van mijn laarsje langs blijf bewegen.

Ik voel mijn ogen verwateren. Ik blaas in de lucht en er gebeurt niks. Het is warm in huis. Deze tranen zijn echt. Ik pink ze weg, sta op en zeg zachtjes, ‘’dag huis’’. Ik haal mijn sleutel van de bos en leg deze op het aanrecht. De lichten gaan uit, mijn jas gaat dicht en de wanten gaan aan. Nog een laatste zwaai van de gangdeur, voor ik de voordeur achter me dichttrek. Buiten komt de maan me tegemoet, samen met de frisheid. En het tikken van de laarsjes, gaat verder.

Mijn Vlaamse Amsterdam

Isidore woont in Amsterdam en in Antwerpen. Twee steden, twee landen. 150 kilometer van elkaar vandaan, maar beiden een thuis. Nederlands en Vlaams, kaas en wafels, Westertoren en Kathedraal. Wat zijn de verschillen en wat de gelijkenissen?

Licht wordt vervangen door donker als we door de tunnel sjezen. De trein rammelt. Om me heen hoor ik Franse, Engelse, Nederlandse en Vlaamse gesprekken. Ik staar naar mijn computer, ik wil woorden op het nog witte valk laten verschijnen. Mijn gevoel vertalen op papier. Ding dong, klinkt het een uur en een kwartier later.  “Over enkele minuten komen we aan op Antwerpen Centraal”, klinkt in zacht Vlaamse tonen.  Mijn moeder, zusje en ik grabbelen onze spullen, jassen en tassen bij elkaar. Even later, stappen we op Belgische bodem.

“Daar zijn ze dan, onze wereldreizigers!”, roept mijn bonusvader. Zijn bruine ogen stralen, zijn gezicht lacht. Liefdevol neemt hij, zoals elke keer, de koffers van ons over. Kletsend lopen we richting de uitgang van het mooiste station ter wereld. “Dit gigantisch treinstation telt vier verdiepingen met sporen. Haar schoonheid is zo uniek dat kenners moeite hebben met het een architecturale stijl toe te schrijven,” aldus The New York Times. We gaan op weg naar ons Antwerps huis, dat hier vlak bij ligt.

Mijn ouders zijn gescheiden en hebben beiden een nieuwe liefde gevonden. Zowel de nieuwe levenspartner van mijn moeder als die van mijn vader komen uit Antwerpen. Beide huishoudens zijn dus Nederlands-Vlaams. In beiden huizen klinken zacht zangerige klanken. Mijn bonusvader woont samen met zijn dochter (12) in Antwerpen en om de week woont hij er samen met mijn moeder. Ze reizen continu op en neer om samen te kunnen zijn. De vriendin van mijn vader woont gewoon in Amsterdam.

“Het is nog vroeg,” zegt mijn moeder tegen me als we ons huis binnenstappen. “Dus als je wilt kun je nog even de stad in gaan.” Snel leg ik mijn spullen in mijn kamer. De hele zolderverdieping is van mij. Vanuit mijn raam overzie ik de stad. Ik pak mijn portemonnee en spring op mijn fiets, een hip vintage model. In een paar tellen sta ik op de Meir, de Kalverstraat van Antwerpen.

Winkel in, winkel uit. Op iedere hoek staat een straatmuzikant. Omringd door de geur van wafels (heerlijk en slechts twee euro) spendeer ik mijn zakgeld aan nieuwe kleding. Als je lang moet wachten voor de kassa heet dat hier ‘ambetant’, in plaats van ‘vervelend’. Ik koop een ‘frak’, oftewel een nieuwe jas en een zwarte’ sacoche’, een zwarte handtas. Bij het afrekenen wordt gevraagd of ik “het kassaticketje” er bij wil. (Over poepen moet je het hier trouwens ook in het openbare toilet niet hebben. Dan praat je over neuken.)

“Je kunt het niet in Nederland ruilen,” zegt het meisje bij H&M. Mijn harde G valt hier op. Ik ken beide steden. Amsterdam nog steeds iets beter dan Antwerpen, maar langzaam neemt mijn kennis over mijn Vlaamse Amsterdam toe. Omdat ze denken dat ik een toerist ben, kan ik de Belgen met regelmaat verrassen met mijn kennis over de stad. Vorig weekend wees ik twee Gentenaren de weg naar de Zara!

Terug thuis schuif ik voor het diner aan de keukentafel. We eten frietjes. Mijn bonuszusje is net terug van haar hockeycompetitie en zit met haar sportkleren aan te smullen van haar ‘viandel’ – frikandel. Duizenden sauzen staan op tafel, Belgische mayonaise, naast Hollandse mayo en overheerlijke Vlaamse ‘stoofvleessaus’. Als mijn moeder een frietje in de saus doopt, en naar haar mond brengt, valt er stoofvlees op haar mooie donkerblauwe jurk. “Bah, ik heb gesmost.” “Gesmost?” Mijn zusje komt niet meer bij. “Wat is dat nou weer?”

De avond valt, donker vervangt zonneschijn en bij de open haard spelen we koehandel, een spelletje waarbij je op dieren moet bieden alsof je meedoet aan een veiling. Daarna is het tijd voor een modeshow van mijn nieuwe kleren. Als ik mijn nieuwe tas laat zien is mijn b’zusje door het dolle heen. “Wat een mooie sacoche.” Vaak bedoelen we hetzelfde, alleen spreken we het net iets anders uit.

Eenmaal in bed, staar ik uit het raam en zie ik de lichtjes die Antwerpen bewaken in de nacht. “Isi? Slaap je al?” Samen staan ze voor mijn slaapkamerdeur. “Welterusten lieverd, ik zie u graag,” zegt mijn moeder grappend. “Slaap wel,” fluistert mijn b’vader. De twee A’s lijken op elkaar, ook al zijn ze verschillend. Want al is Amsterdam mooier dan Parijs, Antwerpen ligt mooi op de route.

 

Een sprankel geluk.

Een sprankel geluk.
Geluk: De situatie waarin onze diepste Behoeften zijn verwezenlijk- Van Dale.

Geluk komt voort uit verdriet. Als je huilt, droog je later je tranen en vrolijkt iemand je op. Die iemand probeert je weer gelukkig te maken. Hoe meer verdriet, hoe minder geluk. Het is een weegschaal en de balans moet je zelf vinden. Geluk vinden is moeilijk. Want hoe kun je nou weten waar jij echt gelukkig van wordt? De meeste mensen, weten dat niet. De meeste mensen, komen daar ook nooit achter. Anderen hebben zoveel geluk dat ze niet weten wanneer ze gelukkig, of ongelukkig zijn. Het verschil tussen geluk en ongeluk wordt door jezelf, of jouw situatie, kleiner gemaakt.

Aan de andere kant, brengen mensen jouw geluk. Net als wanneer mensen jouw verdriet doen. Als vrienden vervelend doen, brengen ze verdriet. Als vrienden lief doen en er voor je zijn als je ze nodig hebt, brengen ze geluk. De definitie geluk is zo groot dat niemand, al het geluk kan hebben.

Er zijn verschillende manieren van het beproeven van geluk. Als je een gouden medaille wint op de 500 meter, als je eindelijk verliefd bent, of als alles loopt zoals je hebt gewenst. Geluk hangt samen met jaloezie. Als anderen jaloers zijn op jouw geluk, wordt er bevestigd hoeveel geluk je eigenlijk hebt. Jaloerse mensen willen gelukkig zijn en denken dat ze dat met jouw geluk allang hadden bereikt. Alleen, geluk gaat niet samen met gelukkig zijn. Iemand kan geluk hebben met zijn of haar talenten, maar die talenten kunnen ook enorm in de weg zitten omdat diegene niet weet hoe hij of zij er mee om moet gaan. Talenten maken je dus niet altijd gelukkig, al heb je geluk dat je over ze beschikt.

Pech en geluk. Precies het tegenovergestelde, maar je kunt niet ‘’pech zijn’’. We hebben dus geen woord wat het tegengestelde is van gelukkig zijn. Zelfs in onze mensheid zitten kleine dingen waar aan je kunt merken dat iedereen geluk zoekt en het ongeluk probeert te verstoppen.

Wat is geluk, als je kijkt op de schaal van een volk? Geluk in Nederland staat voor welvaart. Een stijgende lijn wat betreft de economie, geen stijgende lijn wat betreft gelukkige mensen. Nederland kan zich over het algemeen gelukkig prijzen, zeggen veel mensen. Nederland kan zich niet gelukkig prijzen, alleen prijzen met het hebben van geluk. De meest voorkomende ziekte in Nederland is dan ook psychisch. Mensen die vast zitten in het verdriet en niet meer weten hoe ze gelukkig moeten zijn. Niet meer weten wat geluk überhaupt betekent.

Een andere vraag is, kan je gelukkig zijn zonder geluk? Geluk brengt blijdschap en liefde, geluk is de aanleiding van gelukkig zijn. Gelukkig zijn kan niet zonder geluk, maar geluk kan wel zonder gelukkig zijn.

Ik denk, dat gelukkig zijn een pracht iets is en dat je er niet naar moet zoeken. Het is er, of het komt. Lach geluk toe. Want, slechts een sprankel geluk maakt het leven mooier dan het al was. Of zoals ik het ook kan zeggen: ‘’zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder.’’

Travailler en France

Travailler en France

Isidore van Westing heeft afgelopen zomer in een hotel in Frankrijk gewerkt. Pas na een emotionele wandeltocht durft ze mee te zingen met de afwas…

De warmte omarmt me als een wollen deken als ik de bus uit stap. Het is twee uur in de middag, ik ben al bijna 12 uur bezig om op bestemming te komen. Ik kijk zoekend om me heen. Petanque wordt gespeeld in mijn linker ooghoek en de geur van stokbrood raakt mijn smaakpapillen. De wind die opsteekt is bloedheet en geeft, in plaats van een koel briesje, een ondragelijk hoge temperatuur cadeau. Transpiratie wordt door iedereen in de Zuid-Franse stad waar ik aangekomen ben gedragen als de laatste modetrend.

Deze zomer werk ik een maand lang in een hotel in de Alpen. Voor mijn neus stop de auto die mij ophaalt. Als ik instap wordt ik begroet in de Nederlandse taal. Vrienden van vroeger wiens ouders nu een Hotel runnen komen mij met de auto ophalen. Hun moeder zit achter het stuur. “Joepie, je bent er!” ‘’In Nederland regent het nu.’’ ‘’Ja, pff en hier is het 40 graden.’’ De airco is stuk. Haren wapperen in de wind, ramen staan open. Mijn vriend van vroeger slaat mij gebroerderlijk op de schouders. Acht jaar geleden zaten we nog bij elkaar op school. Samen met zijn moeder en een Hollandse vriend vertellen ze mij alles over iedereen die in het Hotel werkt. ‘’Nou die ene spreekt dus alleen maar Frans en de ander spreekt ongeveer iedere taal. Dan heb je nog een jongen, die werkt achter de bar en die is net zo hoog als de Eiffeltoren sjeses!’’ ‘’Nou de Eiffeltoren, niet overdrijven he.’’ Iedereen lacht.

De auto parkeert in het groen. Het grind knettert. Het terras is overkapt met een Heineken parasol. In het restaurant zitten gebruinde fietsers achter een bord pasta. Een mooie fietstijd op L’Alpe d’huez neerzetten, is het doel van vrijwel iedere Hotelgast. Hotel Au Bon Accueil, staat met grote rode letters op een bord voor de ingang. Nadat ik mijn koffer in mijn kamer gezet heb, ga ik meteen aan de slag. Tafels afdoen , kennismaken met de rest. Mijn vrienden helpen me. Het duo is helemaal in hun element en maken de leukste opmerkingen samen. Als het Sjors en Sjimmie niet zijn, dan wel Jut en Jul.

De dagen daarna, ben ik kamermeisje. Kamer in kamer uit, krijg ik een inkijk in vakanties van anderen. In mijn eentje sta ik te stofzuigen tussen vuile was, reisdagboeken en fietspakken. Sjouwen met vieze en schone handdoeken en lakens. Geen ander contact dan met een enkele mot die in het raamkozijn rust.

Nog steeds wennend aan het uitzicht op sneeuw en dennenbomen op zeker 1000 meter hoogte, sta ik s’ avonds af te drogen. De top 40 van de afgelopen maand, klinkt uit de boxen die in de hoeken van de keuken staan. Vals, maar vrolijk zingt iedereen mee. Ik moet wennen. Met z’n allen zijn ze een grote hotelfamilie, ik moet mijn plekje daarin nog vinden.

Iedere ochtend maak ik de kamers schoon, iedere avond doe ik de afwas. In de middag ben ik vrij. Ik besluit het gevecht met de berg aan te gaan, omdat ik geen fiets heb, ga ik lopend. In mijn rugzak een fles water, een boek en mijn bikini, naast de weg stroomt een rivier. Interdit de nager, staat er op een bord naast de rivier, de fluo kleur doet bijna pijn aan je ogen, het vloekt met het prachtgroen, de indrukwekkende bergen, het helder stromende water om me heen. Fietsers passeren.

Ik zing met de kwetterende vogels en het kletterende bergwater mee. De muziek van mijn omgeving is het achtergrondritme van mijn zelfbedachte chanson. Een beetje verder kan je wel zwemmen. Er is niemand. Gedurft en schaamteloos, trek ik mijn broek en shirt uit. Nu ben ik een echte naturist, ik lach om mezelf bij die gedachte en trek mijn bloemenbikini aan. Het water is letterlijk, ijskoud. Gesmolten sneeuw. Ik gil, ben ongestoord mezelf.

Fijn, maar ook alleen. Ik werk, leef en ben in een onbekende wereld. Geen tram, maar bergpad, geen Vondelpark maar een beschermd natuurgebied, geen ouders, maar hotelbaas. De onzekerheid die komt met avontuur aangaan, is onbeschrijfelijk. Niemand snapt hoe je je voelt. Wat zijn de gewoontes hier, moet ik me aanpassen of niet, ik weet het niet. Tranen rollen over mijn wangen. Ik ben in de war. Mijn hoofd is in de wolken, soms zijn ze gevuld met Zuid-Franse zon, soms gevuld met donder, bliksem en regen. Snot komt uit mijn neus als ik me weer aankleed. Jankend loop ik verder, de berg op. Alles komt er uit. Het is nodig. Net als dat de sluizen soms open moeten en de rivier even heel hard stroomt, zodat niet alles overloopt.

Als ik de top heb bereikt is het gevoel verdwenen. Met een hand boven mijn hoofd geniet ik van het uitzicht. Als ik begin aan de afdaling. Stopt er een auto. Het is een van mijn hotelcollega’s. “Rij je mee?” vraagt ze vrolijk. “Leuk dat je nu bij ons werkt.” Die avond zing ik echt mee in de keuken.

De fietsers zijn trots. Ze praten samen over hun klimtochten van de dag en de tijden die daarbij horen. Ik heb net als hen de top bereikt, in mijn tijd. Ik heb mijn plekje gevonden, al duurde het even. Want een ding is zeker, wie niet klimt, heeft ook geen uitzicht.

Niets zo levend als de dood.

Een vervolg op het boek; De kleine blonde dood van Boudewijn Buch.

Niets zo levend als de dood

Hoofdstuk 1 Blauw en groen

Ik haal de schoenendoos uit de kast en blaas de stof van de bovenkant af. Vijf jaar geleden heb ik hem gevuld en op een plank gezet, sinds zijn dood durfde ik er niet meer in te kijken. Ik was te verdrietig, te bang. Bang om weer dat ellendige verleden onder ogen te moeten komen. Het verleden dat er toe heeft geleid dat ik op mijn uitvaartbrief alvast heb geschreven; ‘God, bedankt voor dit kut leven, ik zie je in de hemel!’ Op de kartonnen doos heb ik groen met blauwe strepen geverfd. Groen en blauw, het waren zijn lievelingskleuren. Die twee kleuren kwamen overal terug. In de kamer van de kleine waren de muren groen, was het dekbed blauw. Een spuuglelijke Ikea kast die ik bij het grofvuil vond, verfde ik, op een bloedhete zomerdag in mei toen hij naar school was, groen, de lades blauw. Zijn knuffel droeg een blauw met groen geruite jasje.
Uit de doos haal ik een foto. Artis staat er sierlijk geschreven op de achterkant. Verder geen datum, niets. Ik kan me die dag nog goed herinneren. Ik weet nog hoe hij op mijn schouders gillend van spanning en plezier de luipaarden aanstaarde die hij op en neer achter de tralies zag lopen. Zijn plakkerige handen onder mijn kin. Kort daarvoor werkte hij in no time een suikerspin naar binnen terwijl ik hem beschermde tegen de wespen die om zijn hoofd zoemden. En hoe hij aandachtig de vies kaal roze billen van de apen, die op de net zo kale rotsen een voedselgevecht hielden, bekeek. Ik vind de toegangskaart. Dierentuin staat er op vijftien gulden. En het bonnetje van een flesje sinas. Dorst kreeg hij van die suikerspin. Mijn mannetje hield van sinas. Op het terras zat hij met het rietje in zijn mond. Ik ritste mijn jas open, het was warm. “Papa?’’, vroeg hij, “Waarom is onze kat eigenlijk niet net zo groot als die in die kooi?’’ “Omdat onze kat minder eten krijgt,” antwoordde ik, “Mag ik een ijsje?’’ “Je hebt net een suikerspin op.” Bedachtzaam keek hij mij aan. “Ja maar ik wil ook heel groot worden.” Daarmee verdiende hij zijn ijsje. Het raketje was snel op. In mijn handen ligt een geel badeendje. Ooit had het dezelfde kleuren van dat raketje. Helder geel is vaal geworden, het rode hoedje dat op zijn hoofd zat, is verdwenen.
Woef druk ik tegen mijn gezicht. De geur van zijn knuffel is weg, net als hij: weg!. Ver weg. Verdwenen, heen, vergaan, vervlogen, verrot. Weg uit mijn leven, maar niet vergeten, elke dag aanwezig, niet uit mijn hoofd te bannen, elke dag weer is hij er. Ik wil gillen, ga nou weg, laat me verder leven, ik moet door. Ik opende de doos vandaag in de hoop te kunnen vergeten. Of het, zoals velen zeggen, ‘een plaatsje te kunnen geven’. God, wat haat ik mensen als ze dat zeggen. Van mij mogen ze, net als hij, dood.
De knuffel draagt nog steeds het blauw met groene jasje. In de doos ligt de bel van zijn blauwe kinderfiets, zijn tandendoosje met piepkleine verkleurde melktanden, een tekening die hij op de vrije school gemaakt heeft, een wikkel van de plastic colafles die hij op zijn verjaardag helemaal leegdronk. Daarna stuiterde hij, dronken van de suiker. Ik kieper de doos om. De hele klerezooi valt op de vloer. Drie puzzelstukjes vallen voor mijn voeten. Ze zijn van de puzzel die hij met mij op het bed gemaakt heeft. Mieke lag met een kater naast me. Hoe zou dat voor hem moeten zijn geweest? Ik bedoel, een dronken moeder iedere dag is niet niks.
Ik ben homo, daarom hield ik niet van Mieke, al heb ik het nog zo geprobeerd. Trouwens, het was eigenlijk ook gewoon een verschrikkelijk wijf. Toch is het zielig. Na de dood van mijn zoon, heb ik haar nog drie keer gezien, om ‘wat laatste dingen te regelen’. Vorig jaar kreeg ik een brief. Ze is dood gevonden in een bushokje. Dagelijks een overdosis alcohol is niet goed voor een mens, al had ze waarschijnlijk ook het een en ander geslikt om de diepte dragelijker te maken. In hetzelfde bushokje zaten hij en ik te wachten op de bus naar Artis.
Nu is de moeder van mijn kind, de vrouw waar ik mee in bed gedoken ben, ook dood. Mijn vader, mijn moeder waren al dood. Broers of zussen spreek ik niet meer. Op de dag dat de kist met het lichaam van de vrouw die mijn kind het leven schonk de kuil in zakte, was ik de enige aanwezige. Die puzzel heb ik op de dag van haar uitvaart weggegooid, er mistte drie stukjes.
Ik zak naar de grond, mijn lichaam schokt, mijn hoofd vindt steun tegen de koude muur. De puzzelstukjes vallen uit mijn handen. Uit mijn neus loopt snot. Alles wordt zwart voor mijn ogen, het gebeurt weer. Het gebeurt gewoon weer. Mijn hoofd raakt te vol, met verdriet en dan word ik gek, raak in paniek, weet niet wat ik moet doen. Ik schreeuw, sta op en ren zonder iets te zien door de kamer. Als een gek ren ik rondjes door de kamer. Ik hoor meubels omvallen, voel mijn handen plakkerig worden van het bloed. Mijn lichaam voelt de pijn van de wonden die ik opdoe door het botsen tegen de hele klere inboedel, tegen nietszeggende huiselijke materie, niet.
Ik wil vergeten, ren de deur uit. Op mijn pantoffels, die hij binnen-schoenen noemde, snel ik naar de winkel om de hoek. De eigenaar bekijkt me. Ik probeer in zijn gedachten te kruipen om te weten wat hij denkt. Vast zoiets als; ‘Hmm, bruin haar, bruine ogen, diepe frons, litteken op zijn wang, bloed aan zijn handen.’ “Jij bent Boudewijn’’, roept hij dan, “Jij bent van dat ene boek. Wat een goed boek, maar heeft u zich bezeerd. Kan ik u helpen?” “Ik wil vijf flessen rode wijn. Welke kan u mij aanbevelen?’’ “Natuurlijk.’’ Ik zie het gezicht van de man vertrekken. Die bn-er is een eikel zie ik hem denken.
Thuis zet ik de flessen op tafel. Ik draai de dop van de eerste en zet de fles aan mijn mond. Uit een plastic box haal ik een videoband tevoorschijn. Ik stop hem in de speler en druk op play. ‘Château Tapie een stevige wijn zonder bestrijdingsmiddelen’ lees ik op het etiket als de eerste beelden op televisiescherm verschijnen. “Zonder bestrijdingsmiddelen”, gil ik. Met een zwaai gooi ik de fles door de kamer. Rode wijn trekt in het witte vloerkleed als de dood die zich aankondigt in een crimeserie. Dood. Ik zoek, maar vind het leven niet.

Witte wereld

Witte wereld

Isidore van Westing stapte afgelopen jaar over van twee gymnasium op het Ignatius naar drie VWO op het Cartesius. Ze verruilde Zuid voor West en kwam van de bekende wereld in een nieuwe wereld terecht.

De sneeuw dwarrelt naar beneden. Drie jonge kinderen spelen op het plein voor het Cartesius en gooien sneeuwballen naar elkaar. Het is warm en benauwd in het klaslokaal, de ramen zijn beslagen. Ik zie het tafereel daardoor door een mistige waas. De wiskundelerares tekent een grafiek op het bord en schrijft er een formule naast. “Dan heb je de x-as en de y-as,” zegt ze. Ik draai mijn hoofd weer richting raam, in een hoek van het plein maakt een jongen geconcentreerd een sneeuwpop. Hij veegt met zijn voeten een beetje sneeuw weg op zoek naar takken voor de armen. “Let even op alsjeblieft. Je zit hier niet omdat je het al kan.” Ik draai mijn hoofd terug, de lerares kijkt me recht in de ogen. “Kom naar voren en los deze formule op.” Twijfelend loop ik haar kant op, in mijn buik neemt de angst toe. Met een rood hoofd sta ik voor het bord. “Zoek de x.” Ik kijk naar de som. De getallen dansen door mijn hoofd. Als ik klaar ben, ga ik snel zitten. “Is dit goed?” vraagt de lerares aan de klas. Een paar kinderen knikken, anderen schudden hun hoofd. “De x is inderdaad vier.”

Lachend loop ik even later naar mijn kluisje. Ik verlos mezelf van wat boeken en trek mijn jas aan. De buitenkant is nog vochtig van het sneeuwballengevecht tijdens de pauze. “Tot morgen,” roep ik naar een paar klasgenoten die met hun fiets voor de deur van de school staan. Ze lachen en steken hun hand op als teken van afscheid. Een van hen probeert me te raken met een sneeuwbal. Het enige dat hij raakt is een prullenbak. Door de klap valt alle sneeuw eraf. In de witte wereld staat nu opeens een groen stuk metaal. “Mis,” roep ik lachend. “Wacht maar!” is het antwoord. Ik drop mijn tas met een soepele zwiep in mijn krat voorop mijn fiets, loop naar het met zout bestrooide stuk van de straat en stap al zwaaiende op. Vorig jaar fietste ik een route door Zuid, nu door West. Het overstappen naar een andere school brengt onzekerheden zich mee. Nieuwe leerlingen, nieuwe leraren, nieuwe regels. “Je leven is een patroon,” zegt de wiskundelerares altijd. “Voor ieder stukje in het leven is een formule.” Tevreden kijk ik om me heen. Sneeuw maakt gelukkig. Alsof een witte deken alle zorgen bedekt en geruststelt. Het is best in West.

Voor het huis van mijn tutor parkeer ik mijn fiets. Zijn kleine appartement ligt op de grens van Zuid en West. Binnen veeg ik mijn voeten en klop mijn jas uit. Met een vriendelijk “hoi” begroet de tutor, een net afgestudeerde Limburger in losse spijkerbroek en trui, mij. Hij leert mij lastige wiskundeformules op te lossen. In de woonkamer staan twee dampende koppen chocolademelk op de eettafel klaar. Hij opent de koektrommel, ik vis mijn boeken uit mijn tas. Verloren liggen een paar laatste kerstkransjes in een verder leeg blik. “Nog van vorig jaar,” zegt hij lachend. Hij schuift wat losse rotzooi opzij, ik schuif de chaos in mijn hoofd aan de kant. Op de tafel is nu plaats voor de boeken en in mijn hoofd voor de x en de y.

Buiten is het, op weg naar huis, zeker vier graden kouder. Ik zit rillend op de fiets als ik iemand mijn naam hoor roepen. Ik kijk om en zie een vriendin van het Ignatius naar me toe rennen. Ze glijdt bijna onderuit. Haar Cowboy bag bungelt om haar arm en de capuchon van haar Canada Goose jas zwiept op en neer bij iedere stap die ze zet. Ze omhelst me, mijn fiets valt bijna op de grond. We lachen om alle onhandigheid. “Wees maar blij dat je van het Ignatius af bent,” zegt ze. “We hebben bergen huiswerk en Latijn is niet normaal moeilijk geworden.” Ab imo pectore ben ik blij dat ik geen Latijn meer heb. “Ik vond het vorig jaar al niet te doen.” De bus naar Abcoude komt aanrijden. “Leuk je gesproken te hebben. Kom snel weer naar de Starbucks.” Ze geeft me een dikke knuffel en stapt op New Balance in de richting van de bus. Zorgeloos en blij lijkt ze te huppelen in een maagdelijk witte wereld waarin alles vredig en mooi is. De gemiddelde Ignatius leerling krijgt van huis uit smakelijke opties voorgeschoteld; advocaat, dokter, accountant of overname van een familiebedrijf van naam, dat zo lekker loopt. Vaak ongemerkt staan ze al met een been in een mooie toekomst. De doorsnee Cartesius leerling gaat minder zorgeloos door het leven, moet voor alles harder werken. Je merkt het aan de sfeer. Auto’s razen voorbij, een scooter toetert. Ik manoeuvreer op mijn fiets door de drukte. De witte wereld om me heen krijgt door het stadse verkeer een donkere rand.

Uiteindelijk is het verschil erg klein. Op beide scholen bieden ze tegen elkaar op. “Mijn vaders Audi is duurder dan die van jouw vader. Bovendien woon ik in een huis met vijf verdiepingen, dus ik zou maar niks zeggen.” Klinkt op het Cartesius als volgt: “Wajoooh zo faja jongen, pik je die gewoon. Hij zoekt vette fiti jongen.” “Dag kerel, hoe is het ermee?’’ is nu: “Eeh faka.” Hetzelfde op een andere manier. Als de sneeuw in Zuid valt, valt hij ook in West.

Roze confetti.

Roze confetti

Ik word wakker van het geluid van giechelende meisjes. Ze pakken wat spullen
bij elkaar en gaan het sanitair verkennen. Kort daarna klinkt er een harde klop op de deur. “Wakker worden.” De leraar geeft aan dat het tijd is om op te staan. Uit vier van de zes stapelbedden komt gekreun. “Binnen een halfuur verwacht ik jullie allemaal aan de ontbijttafel.”

Langzaam kom ik overeind, uit mijn weekendtas haal ik een joggingbroek, trui en sokken. Ik loop naar de toiletten. Als ik aankom hoor ik iemand een liedje uit de Amerikaanse film ‘‘Pitch perfect’’ zingen. Het‘’sex baby, lets talk about you and me’’ klinkt vals. De uitdagende tekst heb ik dit kamp al vaker gehoord. Met een washand was ik mijn gezicht. Eenmaal klaar, zoek ik een plek waar ik me zonder toeschouwers aan kan kleden. Als ik fris gewassen aan de ontbijttafel schuif, komen mijn vriendinnen naast me zitten. We kwekken over het overlopen naar de jongens die nacht, de potjes voetbal van gisteravond en keuren. “Iew! Das een engerd!” “Wat is die knap, super hot.”

Na het eten springen we op de fiets. We gaan op vogelzoektocht. Luid getjirp komt vooralsnog van een fietswiel dat aanloopt en de zang van de felle wind. In het duingebied kijken we met verrekijkers, die we van een vogellaar kregen die ons een vogellesje leert, vooral naar elkaar. Ons gelach jaagt de vogels weg.

Zittend op een bank langs een schelpenpad eten we een middagboterham. Ernaast bloeit een prunusboom uitbundig. Een aarzelende zonnestraal maakt ons iets warmer. We lachen, nemen een hap en lachen. Bloemblaadjes worden losgetrokken door de wind en waaien weg. Het regent roze confetti. Ik voel een sparkel geluk daar op die bank. Even los van de wereld van cijfers die beter kunnen en gedoe thuis.

“Jongens, het sportveld wacht”, de leerkracht houdt de vaart erin. Een aantal leerlingen van een andere klas, pakt net hun fiets als we aankomen. Wij rennen het veld op voor een potje rugby. Als de eerste scrum wordt ingezet, landen regendruppels zacht op het grasveld. Nadat ik gewisseld heb en de modder van me af probeer te slaan, raak ik aan de praat met de co-mentor. We kletsen over Schier, over vriendinnetjes en vriendjes en slechte cijfers. Dan is het mijn beurt om in het veld te verschijnen. Met iedere tackel gooi ik vervelende zaken – die als nat wasgoed aan de lijn nadruppelen – uit mijn hoofd. Weg ermee. Met een schel fluitgeluid blaast de gymleraar een einde aan de wedstrijd.

Hop, opnieuw op de fiets. Nu richting onze tijdelijke huisvesting om ons om te kleden voor het lopen op het wad. Ik knoop een reep blauwe vuilniszak om de zwarte waarvan ik met drie gaten een jurk heb gefabriceerd en maak een strik. Met die handeling wordt de zwarte zak een modieuze pof jurk. Iedereen staat gehuld in vuilniszakken startklaar. “Fotomoment,” roept de bio leraar. Bewegend zwart plastic vult even later het wad. Wormen zoeken, modder gooien. De meisjes gillen als ze worden geraakt met klodders zand door de jongens. Een jongen roept: ‘’Voltreffer!’’ en doet lachend nog een poging. Modder in onze haren, modder in onze schoenen, vuilniszakken gaan uit. Niemand wil zwemmen, ik wel. Ik weet drie twijfelende meisjes uit mijn klas te overtuigen om op zijn minst een kijkje te nemen bij het meer. Aan de waterrand besef ik dat ik wel een bikini aanheb, maar geen handdoek of schone kleren bij me heb. Ik zie dat een andere klas er ook is. Ik dacht dat we de enigen zouden zijn… Twijfel slaat toe. Ik voel me een lelijk eendje tussen witte zwanen. Al die dunne mooie meiden die zelfverzekerd, bijna uitdagend, in hun bikini staan. Ik laat het los, vouw de gedachten als droog wasgoed op. Mijn shirt gaat in een beweging uit. Ik neem een aanloop en gil. Plons! Ik lig in het meer, ijskoud voel ik me gelukkig. Aan de kant zie ik sommigen met open mond naar me kijken, anderen lachen. Twee klasgenoten willen niet achterblijven, ze rennen gillend het water in. ‘’Koud, koud, koud, koud!” roepen ze. Als ik uit het water kom en het enige shirt dat droog is gebleven, omdat ik het onder mijn vuilniszak droeg, aantrek, zie ik twee kleine eendjes met hun moeder zwemmen. In mijn hoofd leg ik het wasgoed in keurige stapels in de kast en sluit de kastdeur. Ik voel me net als die eendjes op avontuur en dat is het mooiste wat er is.

Zolang het maar Engels is.

Zolang het maar Engels is

“Het maakt niet uit welk boek je kiest, zolang het maar Engels is en natuurlijk van het niveau dat bij tweede klassers hoort!”, zegt de lerares Engels aan het einde van het uur. Na haar woorden pak ik mijn schooltas die tegen de tafel rust en stop mijn spullen erin. De bel gaat, ik loop de deur uit. Lachende mensen huppelen door de gangen. Het is vrijdagmiddag, het weekend staat voor de deur. Zodra mijn vrienden en ik onze jassen aanhebben, pakken we onze fietsen en racen de straten door. Druk geklets en gelach wekt vreugde op bij mensen waar we voorbij rijden. In het Vondelpark nemen we zwaaiend afscheid van elkaar.

Ik kan maar beter meteen een Engels boek gaan halen bij de bibliotheek, dan kan ik dit weekend lezen. Op het Mercatorplein parkeer ik mijn fiets, duw de ketting tussen de spaken door en sluit af. Ik loop richting het rode bord met witte letters ‘Bibliotheek’. De schuifdeuren zoeven open en ik stap de stilte in. Veel mensen zeggen bibiotheek, ik vraag me af of de vrouw achter de balie – die ik zachtjes groet – zich daar aan ergert. Kasten met boeken staan netjes op een rij. Zoekend kijk ik rond. “Weet u misschien waar de Engelstalige jeugdliteratuur staat?”, vraag ik zachtjes aan een medewerker. Als ik het mezelf hoor zeggen, vind ik dat ik klink als een oude dame, met een Beatrix hoedje op en huidskleurige panty. De vrouw duwt haar rode bril omlaag en kijkt me streng aan, vervolgens wijst ze de rechterkant op. “Dank u wel”, zeg ik en ik loop naar rechts. Het eerste boek dat ik zie, is Harry Potter. Nee, dat ken ik wel. Ik zoek, en pak ‘My sister lives on the mantelpiece.’ Mijn hoofd vertaalt de Engelse woorden op de achterflap. ‘Jamie Matthews, een jongen van tien jaar, heeft vijf jaar geleden zijn zuster Rose bij een terroristische bomaanslag verloren.’

De computer geeft een lieflijk piepje als teken dat ik het lenen van dit boek officieel heb gemaakt. Met een nog net iets zwaardere schooltas loop ik terug naar mijn fiets. Op het plein glanst het volle terras van Zurich in de lentezon. Een groepje kinderen rent achter een bal aan en een paar geluksvogels likken aan een ijsje van ‘Ice & Bites’. Als ik thuis ben, pak ik een glas limonade en begin te lezen. Die woorden die mijn hoofd vullen, inspireren me. Na twintig pagina’s gelezen te hebben, pak ik mijn laptop en begin te schrijven: ‘Het maakt niet uit welk boek je kiest, zolang het maar Engels is…’

koude ochtend

“Ik doe de deur achter me dicht. Een harde wind steekt op, koude lucht kaatst tegen mijn gezicht en bijt in mijn ogen. Tranen wellen op. Ik wikkel mijn sjaal nog een extra keer om mijn nek en trek mijn muts iets steviger over mijn oren. Ik worstel met mijn slot, mijn fiets staat verankerd aan een lantaarnpaal om diefstal te voorkomen. Kinderen snellen richting school, een oude vrouw schuift achter haar rollator. In het mandje voorop ligt een rode Dirk tas.

Mijn schooltas ligt wiegend in mijn bakje als ik even later mijn straat uit fiets. Het is druk in de buurt, iedereen moet op tijd op school of werk zijn. Ik fiets een vader met twee dochters voorbij. Drie zwarte jassen lopen in een rij op weg naar de school. Ik zie ze elke ochtend, de moeder zie ik nooit. Dat roept vragen op, ik stel ze niet hardop. In mijn hoofd doemen ze met iedere druk op mijn trappers op; hebben ze geen moeder, gescheiden, gestorven of is dit helemaal niet hun eigen vader? Het zijn van die zaken die me elke ochtend even bezig houden om daarna net zo snel weer te vergeten. Alleen als je ze ziet denk je er weer aan en daar draait het om, om dat moment.

Ik fiets verder, langs de school waar die twee dochters zo hun zwarte jassen uittrekken, ophangen en het klaslokaal ingaan. Zoals ik dat twee jaar geleden ook nog elke ochtend deed toen ik nog op de basisschool zat en nog lopend naar school kon. Nu trotseer ik weer en wind – bah wat een nare kou – totdat ik in de schoolbanken schuif voor mijn les Frans. Nu denderen de Franse werkwoorden door mijn hoofd. Je fais, tu fais, il fait, elle fait, on fait. Ik heb een zes nodig om voldoende te blijven staan. Ik ga de bocht om, sla rechtsaf en laat de Jan Eef achter me.

Ik ben weer vroeg terug in de Baarsjes. Het laatste uur is uitgevallen. Het is kort na drieën als ik het drietal opnieuw zie lopen. Ze bewegen zich nu net als ik voort in de andere richting, terug naar huis. Ze maken grapjes en lachen hard. Een van de meisje lacht exact hetzelfde als de man, vader en dochter het kan niet anders. Gescheiden besluit ik, net als mijn ouders. Vervelend en verdrietig, maar lachend kom je verder. C’est la vie.”