Sweet baby Jesus

Hij vertelde mij

dat hij

iets zocht

wat hij niet kon vinden

iemand wilde

maar zich niet kon binden

het donker was

zijn ramen bedekt met vuilniszakken

hij kreeg geen grip op het leven meer

kreeg het niet te pakken

Tot het donker, licht werd

iets wat hij zag

Geluk vond in iets

En hij vertelde mij

Het geloof helpt hem nog iedere dag

Laarsjes

Het is donker op straat als ik naar buiten stap. Het getik van mijn laarsjes op de tegels is samen met de tram het enige wat geluid maakt op straat. Met mijn capuchon op en mijn handen diep in mijn zakken gestoken loop ik stug door. Het is koud. Niet zo’n beetje ook. Geruchten over de elfstedentocht worden zachtjes in de oren gefluistert en het is niet ongewoon om met een grote kop thee en drie truien voor het raam te zitten. Door de kou worden mijn ogen vochtig. Ik blaas en de wind weerkaatst mijn wolkje adem terug in mijn gezicht, waardoor mijn ogen even stoppen met tranen.

Ik stap het portiek in en open de deur. Bijna overal zijn de lichten weg, alleen het ganglicht en de keukenlamp kunnen nog aan. De rest van het huis is leeg en donker. Een voor een ga ik de kamers langs en probeer ik de meubels weer op hun plek te zetten in mijn gedachten. Links stond de kast, rechts de bank en daar het bed. In de vensterbank stonden de plantjes, waarmee we allemaal moeite hadden om ze genoeg water te geven. ‘’Ik ben de plantendokter’’, had een van de jongens een keer gezegd, waarna hij zich weer omdraaide en in de draai met zijn gieter de plant van de rand stootte. Overal lag aarde. Met gelach en een beetje gevloek hebben we samen de boel opgeveegd.

In de grootste kamer ga ik precies in het midden op het versleten tapijt zitten. Normaal is een leeg en donker huis best akelig, maar ik voel me niet naar. Voor mij voelt het hier nog steeds als thuis. Een plek waar ik uit school de deur openzwaaide en heel hard ‘Hallooooo’ door de gang schreeuwde. Een plek waar we dansten in de keuken na het eten en elkaar bekogelden met sponsjes of een tik gaven met de theedoek. Een plek waar we met zijn allen brak onder slaapzakken en fleecedekens Disneyfilms gingen kijken. Een plek waar iedereen het fijn en goed had. De straatverlichting creëert een streep op de vloer waar ik met de hak van mijn laarsje langs blijf bewegen.

Ik voel mijn ogen verwateren. Ik blaas in de lucht en er gebeurt niks. Het is warm in huis. Deze tranen zijn echt. Ik pink ze weg, sta op en zeg zachtjes, ‘’dag huis’’. Ik haal mijn sleutel van de bos en leg deze op het aanrecht. De lichten gaan uit, mijn jas gaat dicht en de wanten gaan aan. Nog een laatste zwaai van de gangdeur, voor ik de voordeur achter me dichttrek. Buiten komt de maan me tegemoet, samen met de frisheid. En het tikken van de laarsjes, gaat verder.

Een dagelijkse dosis blijdschap

Vlogger Sabrina Putri heeft 60.000 volgers

Het is spitsuur. Ik ben op weg naar het interview met Sabrina Putri, een vlogger die Do It Yourself (DIY) filmpjes maakt met bijna 60.000 volgers. Brutaal manoeuvreer ik mijn fiets tussen het langzaam rijdende verkeer op het fietspad. In de buurt van het Vondelpark parkeer ik hem naast een uitpuilend fietsenrek. In de verte zie ik haar al staan. Haar vrolijke zomerjurk waait op, haar blonde haar glanst in de zon. Sabrina Putri is zeventien jaar en studeert aan het Media College in Amsterdam. Lachend steekt ze haar hand uit. Om haar pols zitten een aantal armbandjes. “Zelfgemaakt?” vraag ik. “Natuurlijk”, zegt ze.

Praten tegen de hele wereld

Sabrina begon met video’s maken door te kijken naar andere youtubers. ‘’Ik vond filmen ook altijd al leuk en dacht, als ik al tegen vrienden en ouders praat, waarom dan niet tegen de rest van de wereld?’’ Het gesprek aangaan met anderen en haar eigen interesses delen is het doel van haar filmpjes. ‘’Ik vond het in het begin wel gek om tegen een camera te praten, want een camera praat niet terug.’’

Gepest op school

‘’Het duurde een aantal jaren voordat ik echt veel subscribers kreeg’’, vertelt Sabrina. “Ik ben zelfs een tijdje gestopt…”  Ze twijfelt even en gaat dan door. “Nadat ik een paar filmpjes had geüpload, werd ik gepest op school.‘’ Sabrina’s lef en creativiteit werd vervangen door schaamte en onzekerheid, maar op een gegeven moment vond ze haar zelfvertrouwen weer terug. ‘’Ik dacht: ‘Waarom zou ik stoppen met iets wat ik leuk vind om te doen?’ en ik besloot de camera weer aan te zetten.’’ En toen kwamen de volgers. In een paar weken tijd had ze er duizend. ‘’Nu, twee jaar later heb ik bijna 60.000 volgers.” Trots staat op haar gezicht te lezen.

Niet nep, maar eigen

Volgens Sabrina kom je met een goede camera, jezelf zijn en haters negeren, ver als beginnende vlogger. ‘’Het pesten heeft me geleerd dat jezelf zijn echt belangrijk is: ik ben er immers alleen maar sterker uitgekomen.” Volgens Sabrina is het noodzaak haatreacties te negeren. ‘’Ik besloot mezelf te zijn, ook in beeld. Doordat ik mezelf ging uiten in mijn video’s, kwam alles aan bod wat ikzelf leuk, prettig, mooi of interessant vind.’’ Ideeën haalt ze uit alles om haar heen; tijdschriften, blogs, Tumblr, andere youtubers en winkels in Amsterdam. ‘’Mijn topwinkels zijn de Hema en de Action, vooral voor DIY’s. Als je dingen van anderen overneemt, moet je er uiteraard wel je eigen draai aan geven. Op die manier ben je niet nep, maar eigen.’’

 

Drie dagen voor een DIY filmpje

In filmpjes maken zit veel tijd, volgens Sabrina moet je dat wel willen. ‘’Met een vlog filmen ben je meestal een dag bezig, om het vervolgens te editen duurt een uur.’’ De DIY’s kosten het meeste tijd. Met een DIY is Sabrina meestal drie dagen bezig, inclusief editen. ‘’Met veel DIY’s moet je wachten tot iets opgedroogd is.’’ Het edit-programma dat Sabrina gebruikt heet Final Cut Pro.

 

Een dagelijkse dosis blijdschap

‘’Mijn fans bezorgen mij mijn dagelijkse dosis blijdschap.’’ Onlangs was Sabrina te gast bij de Dutch Youtube Gatering, een dag speciaal voor Nederlandse youtubers die hun fans kunnen ontmoeten. ‘’Ik mocht naar de special guestroom en een meet and greet doen met een aantal van mijn fans.’’ Naast de kennismaking met fans waren er bandjes die optraden, was er tijd om door de locatie heen te lopen en te kletsen met een aantal andere youtubers.

‘’Naast deze fandag heb ik ook live chats gedaan met fans. Ik vind het superleuk om te zien en horen dat mensen genieten van mijn video’s.’’

Reizen in Amsterdam

In de toekomst gaat Sabrina sowieso door met het maken van DIY Youtube filmpjes, maar ze staat open voor het ontdekken van een nieuwe wereld met haar camera. ‘”Ik zou graag willen reizen en vervolgens daarover filmen.’’ En daarvoor hoef je niet per se met het vliegtuig, vindt Sabrina. ‘’Reizen kan in de breedste zin van het woord. Ik vind een dagje Amsterdam al een culturele reis op zichzelf.’’

Mijn Vlaamse Amsterdam

Isidore woont in Amsterdam en in Antwerpen. Twee steden, twee landen. 150 kilometer van elkaar vandaan, maar beiden een thuis. Nederlands en Vlaams, kaas en wafels, Westertoren en Kathedraal. Wat zijn de verschillen en wat de gelijkenissen?

Licht wordt vervangen door donker als we door de tunnel sjezen. De trein rammelt. Om me heen hoor ik Franse, Engelse, Nederlandse en Vlaamse gesprekken. Ik staar naar mijn computer, ik wil woorden op het nog witte valk laten verschijnen. Mijn gevoel vertalen op papier. Ding dong, klinkt het een uur en een kwartier later.  “Over enkele minuten komen we aan op Antwerpen Centraal”, klinkt in zacht Vlaamse tonen.  Mijn moeder, zusje en ik grabbelen onze spullen, jassen en tassen bij elkaar. Even later, stappen we op Belgische bodem.

“Daar zijn ze dan, onze wereldreizigers!”, roept mijn bonusvader. Zijn bruine ogen stralen, zijn gezicht lacht. Liefdevol neemt hij, zoals elke keer, de koffers van ons over. Kletsend lopen we richting de uitgang van het mooiste station ter wereld. “Dit gigantisch treinstation telt vier verdiepingen met sporen. Haar schoonheid is zo uniek dat kenners moeite hebben met het een architecturale stijl toe te schrijven,” aldus The New York Times. We gaan op weg naar ons Antwerps huis, dat hier vlak bij ligt.

Mijn ouders zijn gescheiden en hebben beiden een nieuwe liefde gevonden. Zowel de nieuwe levenspartner van mijn moeder als die van mijn vader komen uit Antwerpen. Beide huishoudens zijn dus Nederlands-Vlaams. In beiden huizen klinken zacht zangerige klanken. Mijn bonusvader woont samen met zijn dochter (12) in Antwerpen en om de week woont hij er samen met mijn moeder. Ze reizen continu op en neer om samen te kunnen zijn. De vriendin van mijn vader woont gewoon in Amsterdam.

“Het is nog vroeg,” zegt mijn moeder tegen me als we ons huis binnenstappen. “Dus als je wilt kun je nog even de stad in gaan.” Snel leg ik mijn spullen in mijn kamer. De hele zolderverdieping is van mij. Vanuit mijn raam overzie ik de stad. Ik pak mijn portemonnee en spring op mijn fiets, een hip vintage model. In een paar tellen sta ik op de Meir, de Kalverstraat van Antwerpen.

Winkel in, winkel uit. Op iedere hoek staat een straatmuzikant. Omringd door de geur van wafels (heerlijk en slechts twee euro) spendeer ik mijn zakgeld aan nieuwe kleding. Als je lang moet wachten voor de kassa heet dat hier ‘ambetant’, in plaats van ‘vervelend’. Ik koop een ‘frak’, oftewel een nieuwe jas en een zwarte’ sacoche’, een zwarte handtas. Bij het afrekenen wordt gevraagd of ik “het kassaticketje” er bij wil. (Over poepen moet je het hier trouwens ook in het openbare toilet niet hebben. Dan praat je over neuken.)

“Je kunt het niet in Nederland ruilen,” zegt het meisje bij H&M. Mijn harde G valt hier op. Ik ken beide steden. Amsterdam nog steeds iets beter dan Antwerpen, maar langzaam neemt mijn kennis over mijn Vlaamse Amsterdam toe. Omdat ze denken dat ik een toerist ben, kan ik de Belgen met regelmaat verrassen met mijn kennis over de stad. Vorig weekend wees ik twee Gentenaren de weg naar de Zara!

Terug thuis schuif ik voor het diner aan de keukentafel. We eten frietjes. Mijn bonuszusje is net terug van haar hockeycompetitie en zit met haar sportkleren aan te smullen van haar ‘viandel’ – frikandel. Duizenden sauzen staan op tafel, Belgische mayonaise, naast Hollandse mayo en overheerlijke Vlaamse ‘stoofvleessaus’. Als mijn moeder een frietje in de saus doopt, en naar haar mond brengt, valt er stoofvlees op haar mooie donkerblauwe jurk. “Bah, ik heb gesmost.” “Gesmost?” Mijn zusje komt niet meer bij. “Wat is dat nou weer?”

De avond valt, donker vervangt zonneschijn en bij de open haard spelen we koehandel, een spelletje waarbij je op dieren moet bieden alsof je meedoet aan een veiling. Daarna is het tijd voor een modeshow van mijn nieuwe kleren. Als ik mijn nieuwe tas laat zien is mijn b’zusje door het dolle heen. “Wat een mooie sacoche.” Vaak bedoelen we hetzelfde, alleen spreken we het net iets anders uit.

Eenmaal in bed, staar ik uit het raam en zie ik de lichtjes die Antwerpen bewaken in de nacht. “Isi? Slaap je al?” Samen staan ze voor mijn slaapkamerdeur. “Welterusten lieverd, ik zie u graag,” zegt mijn moeder grappend. “Slaap wel,” fluistert mijn b’vader. De twee A’s lijken op elkaar, ook al zijn ze verschillend. Want al is Amsterdam mooier dan Parijs, Antwerpen ligt mooi op de route.

 

Een sprankel geluk.

Een sprankel geluk.
Geluk: De situatie waarin onze diepste Behoeften zijn verwezenlijk- Van Dale.

Geluk komt voort uit verdriet. Als je huilt, droog je later je tranen en vrolijkt iemand je op. Die iemand probeert je weer gelukkig te maken. Hoe meer verdriet, hoe minder geluk. Het is een weegschaal en de balans moet je zelf vinden. Geluk vinden is moeilijk. Want hoe kun je nou weten waar jij echt gelukkig van wordt? De meeste mensen, weten dat niet. De meeste mensen, komen daar ook nooit achter. Anderen hebben zoveel geluk dat ze niet weten wanneer ze gelukkig, of ongelukkig zijn. Het verschil tussen geluk en ongeluk wordt door jezelf, of jouw situatie, kleiner gemaakt.

Aan de andere kant, brengen mensen jouw geluk. Net als wanneer mensen jouw verdriet doen. Als vrienden vervelend doen, brengen ze verdriet. Als vrienden lief doen en er voor je zijn als je ze nodig hebt, brengen ze geluk. De definitie geluk is zo groot dat niemand, al het geluk kan hebben.

Er zijn verschillende manieren van het beproeven van geluk. Als je een gouden medaille wint op de 500 meter, als je eindelijk verliefd bent, of als alles loopt zoals je hebt gewenst. Geluk hangt samen met jaloezie. Als anderen jaloers zijn op jouw geluk, wordt er bevestigd hoeveel geluk je eigenlijk hebt. Jaloerse mensen willen gelukkig zijn en denken dat ze dat met jouw geluk allang hadden bereikt. Alleen, geluk gaat niet samen met gelukkig zijn. Iemand kan geluk hebben met zijn of haar talenten, maar die talenten kunnen ook enorm in de weg zitten omdat diegene niet weet hoe hij of zij er mee om moet gaan. Talenten maken je dus niet altijd gelukkig, al heb je geluk dat je over ze beschikt.

Pech en geluk. Precies het tegenovergestelde, maar je kunt niet ‘’pech zijn’’. We hebben dus geen woord wat het tegengestelde is van gelukkig zijn. Zelfs in onze mensheid zitten kleine dingen waar aan je kunt merken dat iedereen geluk zoekt en het ongeluk probeert te verstoppen.

Wat is geluk, als je kijkt op de schaal van een volk? Geluk in Nederland staat voor welvaart. Een stijgende lijn wat betreft de economie, geen stijgende lijn wat betreft gelukkige mensen. Nederland kan zich over het algemeen gelukkig prijzen, zeggen veel mensen. Nederland kan zich niet gelukkig prijzen, alleen prijzen met het hebben van geluk. De meest voorkomende ziekte in Nederland is dan ook psychisch. Mensen die vast zitten in het verdriet en niet meer weten hoe ze gelukkig moeten zijn. Niet meer weten wat geluk überhaupt betekent.

Een andere vraag is, kan je gelukkig zijn zonder geluk? Geluk brengt blijdschap en liefde, geluk is de aanleiding van gelukkig zijn. Gelukkig zijn kan niet zonder geluk, maar geluk kan wel zonder gelukkig zijn.

Ik denk, dat gelukkig zijn een pracht iets is en dat je er niet naar moet zoeken. Het is er, of het komt. Lach geluk toe. Want, slechts een sprankel geluk maakt het leven mooier dan het al was. Of zoals ik het ook kan zeggen: ‘’zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder.’’

Travailler en France

Travailler en France

Isidore van Westing heeft afgelopen zomer in een hotel in Frankrijk gewerkt. Pas na een emotionele wandeltocht durft ze mee te zingen met de afwas…

De warmte omarmt me als een wollen deken als ik de bus uit stap. Het is twee uur in de middag, ik ben al bijna 12 uur bezig om op bestemming te komen. Ik kijk zoekend om me heen. Petanque wordt gespeeld in mijn linker ooghoek en de geur van stokbrood raakt mijn smaakpapillen. De wind die opsteekt is bloedheet en geeft, in plaats van een koel briesje, een ondragelijk hoge temperatuur cadeau. Transpiratie wordt door iedereen in de Zuid-Franse stad waar ik aangekomen ben gedragen als de laatste modetrend.

Deze zomer werk ik een maand lang in een hotel in de Alpen. Voor mijn neus stop de auto die mij ophaalt. Als ik instap wordt ik begroet in de Nederlandse taal. Vrienden van vroeger wiens ouders nu een Hotel runnen komen mij met de auto ophalen. Hun moeder zit achter het stuur. “Joepie, je bent er!” ‘’In Nederland regent het nu.’’ ‘’Ja, pff en hier is het 40 graden.’’ De airco is stuk. Haren wapperen in de wind, ramen staan open. Mijn vriend van vroeger slaat mij gebroerderlijk op de schouders. Acht jaar geleden zaten we nog bij elkaar op school. Samen met zijn moeder en een Hollandse vriend vertellen ze mij alles over iedereen die in het Hotel werkt. ‘’Nou die ene spreekt dus alleen maar Frans en de ander spreekt ongeveer iedere taal. Dan heb je nog een jongen, die werkt achter de bar en die is net zo hoog als de Eiffeltoren sjeses!’’ ‘’Nou de Eiffeltoren, niet overdrijven he.’’ Iedereen lacht.

De auto parkeert in het groen. Het grind knettert. Het terras is overkapt met een Heineken parasol. In het restaurant zitten gebruinde fietsers achter een bord pasta. Een mooie fietstijd op L’Alpe d’huez neerzetten, is het doel van vrijwel iedere Hotelgast. Hotel Au Bon Accueil, staat met grote rode letters op een bord voor de ingang. Nadat ik mijn koffer in mijn kamer gezet heb, ga ik meteen aan de slag. Tafels afdoen , kennismaken met de rest. Mijn vrienden helpen me. Het duo is helemaal in hun element en maken de leukste opmerkingen samen. Als het Sjors en Sjimmie niet zijn, dan wel Jut en Jul.

De dagen daarna, ben ik kamermeisje. Kamer in kamer uit, krijg ik een inkijk in vakanties van anderen. In mijn eentje sta ik te stofzuigen tussen vuile was, reisdagboeken en fietspakken. Sjouwen met vieze en schone handdoeken en lakens. Geen ander contact dan met een enkele mot die in het raamkozijn rust.

Nog steeds wennend aan het uitzicht op sneeuw en dennenbomen op zeker 1000 meter hoogte, sta ik s’ avonds af te drogen. De top 40 van de afgelopen maand, klinkt uit de boxen die in de hoeken van de keuken staan. Vals, maar vrolijk zingt iedereen mee. Ik moet wennen. Met z’n allen zijn ze een grote hotelfamilie, ik moet mijn plekje daarin nog vinden.

Iedere ochtend maak ik de kamers schoon, iedere avond doe ik de afwas. In de middag ben ik vrij. Ik besluit het gevecht met de berg aan te gaan, omdat ik geen fiets heb, ga ik lopend. In mijn rugzak een fles water, een boek en mijn bikini, naast de weg stroomt een rivier. Interdit de nager, staat er op een bord naast de rivier, de fluo kleur doet bijna pijn aan je ogen, het vloekt met het prachtgroen, de indrukwekkende bergen, het helder stromende water om me heen. Fietsers passeren.

Ik zing met de kwetterende vogels en het kletterende bergwater mee. De muziek van mijn omgeving is het achtergrondritme van mijn zelfbedachte chanson. Een beetje verder kan je wel zwemmen. Er is niemand. Gedurft en schaamteloos, trek ik mijn broek en shirt uit. Nu ben ik een echte naturist, ik lach om mezelf bij die gedachte en trek mijn bloemenbikini aan. Het water is letterlijk, ijskoud. Gesmolten sneeuw. Ik gil, ben ongestoord mezelf.

Fijn, maar ook alleen. Ik werk, leef en ben in een onbekende wereld. Geen tram, maar bergpad, geen Vondelpark maar een beschermd natuurgebied, geen ouders, maar hotelbaas. De onzekerheid die komt met avontuur aangaan, is onbeschrijfelijk. Niemand snapt hoe je je voelt. Wat zijn de gewoontes hier, moet ik me aanpassen of niet, ik weet het niet. Tranen rollen over mijn wangen. Ik ben in de war. Mijn hoofd is in de wolken, soms zijn ze gevuld met Zuid-Franse zon, soms gevuld met donder, bliksem en regen. Snot komt uit mijn neus als ik me weer aankleed. Jankend loop ik verder, de berg op. Alles komt er uit. Het is nodig. Net als dat de sluizen soms open moeten en de rivier even heel hard stroomt, zodat niet alles overloopt.

Als ik de top heb bereikt is het gevoel verdwenen. Met een hand boven mijn hoofd geniet ik van het uitzicht. Als ik begin aan de afdaling. Stopt er een auto. Het is een van mijn hotelcollega’s. “Rij je mee?” vraagt ze vrolijk. “Leuk dat je nu bij ons werkt.” Die avond zing ik echt mee in de keuken.

De fietsers zijn trots. Ze praten samen over hun klimtochten van de dag en de tijden die daarbij horen. Ik heb net als hen de top bereikt, in mijn tijd. Ik heb mijn plekje gevonden, al duurde het even. Want een ding is zeker, wie niet klimt, heeft ook geen uitzicht.

Niets zo levend als de dood.

Een vervolg op het boek; De kleine blonde dood van Boudewijn Buch.

Niets zo levend als de dood

Hoofdstuk 1 Blauw en groen

Ik haal de schoenendoos uit de kast en blaas de stof van de bovenkant af. Vijf jaar geleden heb ik hem gevuld en op een plank gezet, sinds zijn dood durfde ik er niet meer in te kijken. Ik was te verdrietig, te bang. Bang om weer dat ellendige verleden onder ogen te moeten komen. Het verleden dat er toe heeft geleid dat ik op mijn uitvaartbrief alvast heb geschreven; ‘God, bedankt voor dit kut leven, ik zie je in de hemel!’ Op de kartonnen doos heb ik groen met blauwe strepen geverfd. Groen en blauw, het waren zijn lievelingskleuren. Die twee kleuren kwamen overal terug. In de kamer van de kleine waren de muren groen, was het dekbed blauw. Een spuuglelijke Ikea kast die ik bij het grofvuil vond, verfde ik, op een bloedhete zomerdag in mei toen hij naar school was, groen, de lades blauw. Zijn knuffel droeg een blauw met groen geruite jasje.
Uit de doos haal ik een foto. Artis staat er sierlijk geschreven op de achterkant. Verder geen datum, niets. Ik kan me die dag nog goed herinneren. Ik weet nog hoe hij op mijn schouders gillend van spanning en plezier de luipaarden aanstaarde die hij op en neer achter de tralies zag lopen. Zijn plakkerige handen onder mijn kin. Kort daarvoor werkte hij in no time een suikerspin naar binnen terwijl ik hem beschermde tegen de wespen die om zijn hoofd zoemden. En hoe hij aandachtig de vies kaal roze billen van de apen, die op de net zo kale rotsen een voedselgevecht hielden, bekeek. Ik vind de toegangskaart. Dierentuin staat er op vijftien gulden. En het bonnetje van een flesje sinas. Dorst kreeg hij van die suikerspin. Mijn mannetje hield van sinas. Op het terras zat hij met het rietje in zijn mond. Ik ritste mijn jas open, het was warm. “Papa?’’, vroeg hij, “Waarom is onze kat eigenlijk niet net zo groot als die in die kooi?’’ “Omdat onze kat minder eten krijgt,” antwoordde ik, “Mag ik een ijsje?’’ “Je hebt net een suikerspin op.” Bedachtzaam keek hij mij aan. “Ja maar ik wil ook heel groot worden.” Daarmee verdiende hij zijn ijsje. Het raketje was snel op. In mijn handen ligt een geel badeendje. Ooit had het dezelfde kleuren van dat raketje. Helder geel is vaal geworden, het rode hoedje dat op zijn hoofd zat, is verdwenen.
Woef druk ik tegen mijn gezicht. De geur van zijn knuffel is weg, net als hij: weg!. Ver weg. Verdwenen, heen, vergaan, vervlogen, verrot. Weg uit mijn leven, maar niet vergeten, elke dag aanwezig, niet uit mijn hoofd te bannen, elke dag weer is hij er. Ik wil gillen, ga nou weg, laat me verder leven, ik moet door. Ik opende de doos vandaag in de hoop te kunnen vergeten. Of het, zoals velen zeggen, ‘een plaatsje te kunnen geven’. God, wat haat ik mensen als ze dat zeggen. Van mij mogen ze, net als hij, dood.
De knuffel draagt nog steeds het blauw met groene jasje. In de doos ligt de bel van zijn blauwe kinderfiets, zijn tandendoosje met piepkleine verkleurde melktanden, een tekening die hij op de vrije school gemaakt heeft, een wikkel van de plastic colafles die hij op zijn verjaardag helemaal leegdronk. Daarna stuiterde hij, dronken van de suiker. Ik kieper de doos om. De hele klerezooi valt op de vloer. Drie puzzelstukjes vallen voor mijn voeten. Ze zijn van de puzzel die hij met mij op het bed gemaakt heeft. Mieke lag met een kater naast me. Hoe zou dat voor hem moeten zijn geweest? Ik bedoel, een dronken moeder iedere dag is niet niks.
Ik ben homo, daarom hield ik niet van Mieke, al heb ik het nog zo geprobeerd. Trouwens, het was eigenlijk ook gewoon een verschrikkelijk wijf. Toch is het zielig. Na de dood van mijn zoon, heb ik haar nog drie keer gezien, om ‘wat laatste dingen te regelen’. Vorig jaar kreeg ik een brief. Ze is dood gevonden in een bushokje. Dagelijks een overdosis alcohol is niet goed voor een mens, al had ze waarschijnlijk ook het een en ander geslikt om de diepte dragelijker te maken. In hetzelfde bushokje zaten hij en ik te wachten op de bus naar Artis.
Nu is de moeder van mijn kind, de vrouw waar ik mee in bed gedoken ben, ook dood. Mijn vader, mijn moeder waren al dood. Broers of zussen spreek ik niet meer. Op de dag dat de kist met het lichaam van de vrouw die mijn kind het leven schonk de kuil in zakte, was ik de enige aanwezige. Die puzzel heb ik op de dag van haar uitvaart weggegooid, er mistte drie stukjes.
Ik zak naar de grond, mijn lichaam schokt, mijn hoofd vindt steun tegen de koude muur. De puzzelstukjes vallen uit mijn handen. Uit mijn neus loopt snot. Alles wordt zwart voor mijn ogen, het gebeurt weer. Het gebeurt gewoon weer. Mijn hoofd raakt te vol, met verdriet en dan word ik gek, raak in paniek, weet niet wat ik moet doen. Ik schreeuw, sta op en ren zonder iets te zien door de kamer. Als een gek ren ik rondjes door de kamer. Ik hoor meubels omvallen, voel mijn handen plakkerig worden van het bloed. Mijn lichaam voelt de pijn van de wonden die ik opdoe door het botsen tegen de hele klere inboedel, tegen nietszeggende huiselijke materie, niet.
Ik wil vergeten, ren de deur uit. Op mijn pantoffels, die hij binnen-schoenen noemde, snel ik naar de winkel om de hoek. De eigenaar bekijkt me. Ik probeer in zijn gedachten te kruipen om te weten wat hij denkt. Vast zoiets als; ‘Hmm, bruin haar, bruine ogen, diepe frons, litteken op zijn wang, bloed aan zijn handen.’ “Jij bent Boudewijn’’, roept hij dan, “Jij bent van dat ene boek. Wat een goed boek, maar heeft u zich bezeerd. Kan ik u helpen?” “Ik wil vijf flessen rode wijn. Welke kan u mij aanbevelen?’’ “Natuurlijk.’’ Ik zie het gezicht van de man vertrekken. Die bn-er is een eikel zie ik hem denken.
Thuis zet ik de flessen op tafel. Ik draai de dop van de eerste en zet de fles aan mijn mond. Uit een plastic box haal ik een videoband tevoorschijn. Ik stop hem in de speler en druk op play. ‘Château Tapie een stevige wijn zonder bestrijdingsmiddelen’ lees ik op het etiket als de eerste beelden op televisiescherm verschijnen. “Zonder bestrijdingsmiddelen”, gil ik. Met een zwaai gooi ik de fles door de kamer. Rode wijn trekt in het witte vloerkleed als de dood die zich aankondigt in een crimeserie. Dood. Ik zoek, maar vind het leven niet.