Travailler en France

Travailler en France

Isidore van Westing heeft afgelopen zomer in een hotel in Frankrijk gewerkt. Pas na een emotionele wandeltocht durft ze mee te zingen met de afwas…

De warmte omarmt me als een wollen deken als ik de bus uit stap. Het is twee uur in de middag, ik ben al bijna 12 uur bezig om op bestemming te komen. Ik kijk zoekend om me heen. Petanque wordt gespeeld in mijn linker ooghoek en de geur van stokbrood raakt mijn smaakpapillen. De wind die opsteekt is bloedheet en geeft, in plaats van een koel briesje, een ondragelijk hoge temperatuur cadeau. Transpiratie wordt door iedereen in de Zuid-Franse stad waar ik aangekomen ben gedragen als de laatste modetrend.

Deze zomer werk ik een maand lang in een hotel in de Alpen. Voor mijn neus stop de auto die mij ophaalt. Als ik instap wordt ik begroet in de Nederlandse taal. Vrienden van vroeger wiens ouders nu een Hotel runnen komen mij met de auto ophalen. Hun moeder zit achter het stuur. “Joepie, je bent er!” ‘’In Nederland regent het nu.’’ ‘’Ja, pff en hier is het 40 graden.’’ De airco is stuk. Haren wapperen in de wind, ramen staan open. Mijn vriend van vroeger slaat mij gebroerderlijk op de schouders. Acht jaar geleden zaten we nog bij elkaar op school. Samen met zijn moeder en een Hollandse vriend vertellen ze mij alles over iedereen die in het Hotel werkt. ‘’Nou die ene spreekt dus alleen maar Frans en de ander spreekt ongeveer iedere taal. Dan heb je nog een jongen, die werkt achter de bar en die is net zo hoog als de Eiffeltoren sjeses!’’ ‘’Nou de Eiffeltoren, niet overdrijven he.’’ Iedereen lacht.

De auto parkeert in het groen. Het grind knettert. Het terras is overkapt met een Heineken parasol. In het restaurant zitten gebruinde fietsers achter een bord pasta. Een mooie fietstijd op L’Alpe d’huez neerzetten, is het doel van vrijwel iedere Hotelgast. Hotel Au Bon Accueil, staat met grote rode letters op een bord voor de ingang. Nadat ik mijn koffer in mijn kamer gezet heb, ga ik meteen aan de slag. Tafels afdoen , kennismaken met de rest. Mijn vrienden helpen me. Het duo is helemaal in hun element en maken de leukste opmerkingen samen. Als het Sjors en Sjimmie niet zijn, dan wel Jut en Jul.

De dagen daarna, ben ik kamermeisje. Kamer in kamer uit, krijg ik een inkijk in vakanties van anderen. In mijn eentje sta ik te stofzuigen tussen vuile was, reisdagboeken en fietspakken. Sjouwen met vieze en schone handdoeken en lakens. Geen ander contact dan met een enkele mot die in het raamkozijn rust.

Nog steeds wennend aan het uitzicht op sneeuw en dennenbomen op zeker 1000 meter hoogte, sta ik s’ avonds af te drogen. De top 40 van de afgelopen maand, klinkt uit de boxen die in de hoeken van de keuken staan. Vals, maar vrolijk zingt iedereen mee. Ik moet wennen. Met z’n allen zijn ze een grote hotelfamilie, ik moet mijn plekje daarin nog vinden.

Iedere ochtend maak ik de kamers schoon, iedere avond doe ik de afwas. In de middag ben ik vrij. Ik besluit het gevecht met de berg aan te gaan, omdat ik geen fiets heb, ga ik lopend. In mijn rugzak een fles water, een boek en mijn bikini, naast de weg stroomt een rivier. Interdit de nager, staat er op een bord naast de rivier, de fluo kleur doet bijna pijn aan je ogen, het vloekt met het prachtgroen, de indrukwekkende bergen, het helder stromende water om me heen. Fietsers passeren.

Ik zing met de kwetterende vogels en het kletterende bergwater mee. De muziek van mijn omgeving is het achtergrondritme van mijn zelfbedachte chanson. Een beetje verder kan je wel zwemmen. Er is niemand. Gedurft en schaamteloos, trek ik mijn broek en shirt uit. Nu ben ik een echte naturist, ik lach om mezelf bij die gedachte en trek mijn bloemenbikini aan. Het water is letterlijk, ijskoud. Gesmolten sneeuw. Ik gil, ben ongestoord mezelf.

Fijn, maar ook alleen. Ik werk, leef en ben in een onbekende wereld. Geen tram, maar bergpad, geen Vondelpark maar een beschermd natuurgebied, geen ouders, maar hotelbaas. De onzekerheid die komt met avontuur aangaan, is onbeschrijfelijk. Niemand snapt hoe je je voelt. Wat zijn de gewoontes hier, moet ik me aanpassen of niet, ik weet het niet. Tranen rollen over mijn wangen. Ik ben in de war. Mijn hoofd is in de wolken, soms zijn ze gevuld met Zuid-Franse zon, soms gevuld met donder, bliksem en regen. Snot komt uit mijn neus als ik me weer aankleed. Jankend loop ik verder, de berg op. Alles komt er uit. Het is nodig. Net als dat de sluizen soms open moeten en de rivier even heel hard stroomt, zodat niet alles overloopt.

Als ik de top heb bereikt is het gevoel verdwenen. Met een hand boven mijn hoofd geniet ik van het uitzicht. Als ik begin aan de afdaling. Stopt er een auto. Het is een van mijn hotelcollega’s. “Rij je mee?” vraagt ze vrolijk. “Leuk dat je nu bij ons werkt.” Die avond zing ik echt mee in de keuken.

De fietsers zijn trots. Ze praten samen over hun klimtochten van de dag en de tijden die daarbij horen. Ik heb net als hen de top bereikt, in mijn tijd. Ik heb mijn plekje gevonden, al duurde het even. Want een ding is zeker, wie niet klimt, heeft ook geen uitzicht.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s